10 jaar Rutte. Wat is er uiteindelijk bereikt?

De verkiezingen, en daarmee een mogelijk kabinet Rutte IV, komen steeds dichterbij. Maar willen we nog wel een kabinet Rutte? Tien jaar lang is Nederland bestuurd door drie verschillende kabinetten onder leiding van de VVD’er Mark Rutte. Dit afgelopen decennium hebben deze kabinetten veel verschillende problemen aan moeten pakken: de nasleep van de financiële crisis, de daaropvolgende eurocrisis, klimaatproblemen en natuurlijk de huidige coronacrisis. Hoe hebben de kabinetten-Rutte deze problemen aangepakt? Wat maakt deze kabinetten bijzonder? En wat betekent dat nu voor ons, en voor de komende verkiezing? De Duplomaat zet het voor je uiteen. 

Rutte I – oktober 2010 tot 5 november 2012

Rutte I was het allereerste kabinet waarbij de VVD de minister-president leverde. In de jaren daarvoor had de VVD al wel een aantal keer meegeregeerd, bijvoorbeeld in de kabinetten van Lubbers, Kok en Balkenende. Het kabinet Rutte I was een minderheidskabinet bestaande uit de VVD en het CDA, met gedoogsteun van de PVV. Hierdoor kwam het aantal zetels in de Tweede Kamer nét uit op een meerderheid, al werd deze samenwerking met de PVV ook de reden dat het kabinet uiteindelijk viel.

Het regeerakkoord van dit kabinet, met als motto ‘Vrijheid en Verantwoordelijkheid’, was vooral gericht op herstellen van de economie. Na de financiële crisis van 2008 betekende dit vooral veel bezuinigingen, de agrarische sector stimuleren en extra ruimte voor Schiphol. Dit kabinet, bestaande uit rechtsere partijen, streefde naar een kleine, krachtige en dienstverlenende overheid. Dit betekende beperkingen op het aantal ambtenaren, bestuurders, regels en belastingen. Ook moesten diensten zoals mentale zorg en ouderenzorg op lokaal niveau, door gemeenten, geregeld worden. Burgers zouden dit soort zaken meer zelf moeten regelen; dit betekende ook een verhoging van de AOW-leeftijd en een grotere eigen bijdrage bij doktersbehandelingen. Ook op kunst en cultuur werd extreem bezuinigd. Dit kabinet legde wel een grote nadruk op het stimuleren van onderwijs. De basisbeurs voor studenten moest blijven bestaan en het kabinet was van plan om de numerus-fixusregelingen voor de meeste studies af te schaffen. 

Door de minderheid in de Tweede Kamer, kreeg Rutte I te maken met verschillende uitdagingen. De gedoogpartner PVV was het niet altijd eens met het beleid. Dit leidde uiteindelijk tot de val van het kabinet. Na een publicatie van het CPB bleek dat er voor 2013 een begrotingstekort zou ontstaan: er zou zo’n zestien miljard bezuinigd moeten worden. De VVD, PVV en het CDA gingen in het Catshuisoverleg op zoek naar een oplossing, maar konden het niet met elkaar eens worden. De PVV verliet de onderhandelingen, waarna het kabinet in april 2012 zijn ontslag moest indienen.

Rutte II – 5 november 2012 tot 26 oktober 2017

Rutte II was ook een bijzonder kabinet, maar om een andere reden. Dit kabinet was namelijk een samenwerking tussen de VVD en PVDA, twee partijen die zo goed als volledig tegenover elkaar staan wat betreft politieke ideologieën. Het kabinet had in het begin een ruime meerderheid met 79 zetels in de Tweede Kamer. Voor de verkiezingen van maart 2017 waren er echter nog maar 42 zetels over. Vooral bij de PVDA vielen veel Tweede Kamerleden namelijk af. Deze samenwerking lijkt voor de PVDA geen al te beste gevolgen te hebben gehad; in de verkiezingen van 2017 behaalde ze nog maar negen zetels, tegenover 38 zetels in 2012. 

Het beleid van dit kabinet had uiteindelijk zowel rechtse als linkse elementen. Met als motto ‘Bruggen slaan’ richtte de coalitie zich op ‘het versterken van de onderlinge verbondenheid, het optimisme en de kracht van Nederland’. Hoe optimistisch dit ook klinkt, het kabinet moest nog steeds zo’n 16 miljard bezuinigen om de overheidsfinanciën op orde te krijgen. 

Dit betekende doorgaan met het hanteren van een sterk decentralisatiebeleid. De overheid moest goedkoper en efficiënter gaan werken, en ‘de ambtelijke drukte en regeldruk’ moest verlaagd worden. In tegenstelling tot het kabinet ervoor wordt een kleine overheid niet expliciet genoemd, maar komt dit wel ongeveer op hetzelfde neer. Zoals koning Willem-Alexander in de troonrede in 2013 benoemde, zou Nederland moeten veranderen van een verzorgingsstaat in een participatiesamenleving, waarin men verantwoordelijkheid voor de eigen omgeving moest nemen. Zo moesten reguliere zorg, zowel voor ouderen als voor jongeren, en mentale gezondheidszorg via marktwerking en lokaal worden uitgevoerd. Ook voor studenten zouden grote veranderingen worden ingevoerd: het leenstelsel zou gaan gelden vanaf 2015. Origineel was het plan om ook het studenten-OV te vervangen door een kortingskaart, maar uiteindelijk is dit toch een gift gebleven (mits je niet met je studie stopt natuurlijk).

Ondanks de tegenstrijdige doelen van de PVDA en de VVD heeft dit kabinet de volledige regeerperiode uitgezeten, wat al sinds 1998 niet meer was gebeurd. Het kabinet diende daarom ook pas de dag voor de nieuwe verkiezingen zijn ontslag in bij de koning.

Rutte III – 26 oktober 2017 tot nu

Rutte III is ons huidige, zij het demissionaire, kabinet. Dit kabinet is een samenwerking van de VVD, D66, ChristenUnie en het CDA. Het kabinet had net een meerderheid met 76 zetels, al hebben ze het vanaf 2019 met een zetelaantal van 75 moeten doen. 

Het regeerakkoord, met als motto ‘Vertrouwen in de toekomst’, was het eerste akkoord dat niet gericht was op bezuinigingen – er werd zelfs een begrotingsoverschot verwacht. De economie was bijgedraaid, en in 2017 had men ook echt meer vertrouwen in de toekomst. Het belangrijkste doel was daarom dat de ‘gewone Nederlander’ zou gaan merken dat het inderdaad beter ging met de economie. Door vier verschillende punten te benadrukken, wilde het kabinet dit bereiken. Er zou meer worden geïnvesteerd in onderwijs, defensie, zorg en veiligheid. Werken zou meer moeten gaan lonen, door hervormingen van het pensioenstelsel en lastenverlichtingen voor de middenklasse en bedrijven. Daarnaast werd ook het klimaat benadrukt; het Parijsakkoord van 2015 zou moeten worden opgevolgd. Wat ook opvalt is dat het kabinet wel wilde blijven samenwerken in EU-verband, maar dat er tegelijkertijd veel meer nationalistische punten naar voren komen. Zo werd in het onderwijs de aandacht voor de Nederlandse geschiedenis als een zeer belangrijk punt benadrukt.

Uiteindelijk zag de kabinetsperiode van Rutte III er toch wat anders uit dan verwacht. Toen iets meer dan een jaar geleden het coronavirus in Nederland verscheen, waren hervormingen van ons dagelijks leven vereist waar het kabinet jaren geleden nooit rekening mee had kunnen houden. Rutte moest, voor de eerste keer sinds de oliecrisis van 1973, het land toespreken. Het afgelopen jaar hebben we met z’n allen meegemaakt: van gesloten winkels tot vaccinaties tot een avondklok. Het kabinet heeft het daarom druk gehad met de beste manier vinden om te regeren. Toch is er veel onzekerheid over de toekomst.

Het kabinet heeft uiteindelijk een paar maanden eerder dan gepland zijn ontslag moeten indienen – niet vanwege de coronacrisis, maar vanwege de toeslagenaffaire. Hoe dit precies is verlopen, lees je terug in dit Duplomaat artikel.

Het lijkt eigenlijk of we weer terug bij af zijn. Vanaf de financiële crisis zijn we uiteindelijk de coronacrisis ingerold, zij het met een periode van vooruitgang tussendoor. De onderdelen waar vooral op is bezuinigd – met name de zorg – bleken uiteindelijk juist de delen te zijn die we het hardst nodig hadden: de zogenaamde vitale sectoren. Het beleid van ‘eigen verantwoordelijkheid’ dat we het afgelopen decennium hebben gehanteerd heeft hier wel een belangrijke rol in, maar kan niet volledig op het kabinet worden afgeschoven. Ook middenpartijen namen dit als uitgangspunt. Achteraf een ‘als we het hadden geweten hadden’-houding aannemen heeft niet zoveel zin. We zullen ons daarom vooral op de toekomst, en daarmee de komende verkiezingen, moeten richten. Naar de stembus, dus!

Bronnen

Sluiten