Een kijkje in de studentenverenigingen

Studentenverenigingen, volgens sommigen de enige sleutel naar een echt studentenleven, volgens anderen een club omhooggevallen balletjes. Na recentelijke berichten uit het noorden van het land over de ontgroeningen van Vindicat en Amsterdamsch Studenten Corps (ASC), en de uitgelekte bangalijst van eerstgenoemde is het tijd om de verenigingen eens onder de loep te nemen.

Een studentenvereniging verschilt fundamenteel van een studievereniging. De laatste is specifiek opgericht voor een speciale studie (of programma, zoals het geval is bij In Duplo). Ze liggen ook wat dichter bij de universiteit en de studie zelf. Studentenverenigingen daarentegen staan los van een bepaalde studie en zijn toegankelijk voor studenten van de hele universiteit. Ook ligt bij hen de nadruk meer bij gezelligheid, wat natuurlijk niet betekent dat het bij een studievereniging niet ontzettend gezellig kan zijn. In Duplo vormt hier natuurlijk het bewijs voor.

Sociëteit Huesca van Sanctus Laurentius

 

Studentenverenigingen zijn er in alle soorten en maten. Er zijn corpora, katholieke en confessionele verenigingen en verenigingen zonder een achtergrond. In Rotterdam heb je er van elke categorie een, te weten de RSC/RVSV, Laurentius, SSR en de NSR en RSG. Het is dan ook niet gek dat al deze verenigingen een compleet ander karakter hebben. Zo promoot RSG zich met het hebben van geen ontgroening. Samen met de NSR is dat de enige vereniging in Rotterdam die dat niet doet. Waarom is dit zo? Waarom speelt een ontgroening, vaak kennismakingstijd of introductietijd genoemd, zo’n grote rol binnen het studentenleven?

Allereerst duiken we in de geschiedenis. Voordat de eerste echte studentenvereniging werd opgericht, bevonden zich in de universiteitssteden van Nederland al studentengezelschappen. Deze werden vaak niet erkend door de universiteit. Een grote rol binnen deze gezelschappen was het ‘introduceren’ van eerstejaars. Dit werd vaak gedaan om de eerstejaars wegwijs te maken in de nieuwe stad. Toen de eerste studentenverenigingen opgericht werden, werd deze traditie overgenomen. Op deze manier ontstond de ontgroening.

Sociëteit Hermes van het Rotterdamsch Studenten Corps

 

Maar, tradities kunnen natuurlijk uit de tijd raken, tenzij de ontgroening hedendaags nog iets toevoegt. Nu zal de kritische lezer denken: wat voegt op je kop gegeven worden door een derdejaars nu toe aan je studie? Het antwoord is te vinden in de gelijkwaardigheid die een ontgroening schept. Iemand die zelf lid is geworden en een kennismakingstijd heeft meegemaakt beschreef het als volgt: “Ja, je hebt het zwaar, maar iedereen heeft het zwaar. Op de middelbare school was er een duidelijke statusverdeling, en praatte iedereen binnen zijn eigen groep. De kennismakingstijd neemt dit weg, iedereen praat met iedereen, er is geen verschil meer.”

Een ontgroening kan echter niet tot in het extreme worden doorgevoerd. Zo kwam Laurentius in 1988 in het nieuws doordat sommige eerstejaars een huidziekte kregen, omdat ze door een donkere gang met slachtafval moesten kruipen. Of, zoals in 1997 bij Vindicat in Groningen, overleed een jongen omdat hij een liter jenever in een keer moest leegdrinken. Dit soort excessen zijn niet goed te praten. Gelukkig is er daarom in de loop van de tijd ook regelgeving gekomen. Zo mag er tijdens de ontgroening van eerstejaars geen alcohol meer gebruikt worden.

Sociëteit Alveus Dei van de Navigators Studentenvereniging Rotterdam

 

Toch is er in de politiek altijd grote terughoudendheid met het aanpakken van wanpraktijken binnen ontgroeningen. Dit is voor een deel te wijten aan het feit dat veel gevestigde namen binnen de politiek lid zijn geweest. Dit was ook te zien aan de fractievoorzitter van het CDA, Sybrand Van Haersma-Buma. Hij werd door minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, opgeroepen afstand te nemen van zijn vereniging, Vindicat. Zo ver ging Buma niet. Hij keurde de praktijken af, maar lid van een vereniging ben je voor het leven.

Dat het lidmaatschap vaak vele voordelen met zich meebrengt, werd duidelijk door dit NRC-onderzoek. Zij onderzochten of leden van corpora een voorsprong in het bedrijfsleven boven andere studenten hebben. Van de ongeveer 189 bestuursleden van de 25 grootste bedrijven in Nederland in 2015, was 30% lid geweest van het corps. Dit terwijl niet meer dan 6% van de studenten op het moment lid is. Ook een kenmerkend voorbeeld: Sinds het kabinet van Agt II in 1980, is de minister van Justitie altijd een oud-Minervaan uit Leiden geweest, met uitzondering van een kabinet Lubbers.

Sociëteit Koinoonia van SSR-Rotterdam

 

Dan over een ander onderdeel van de studentenvereniging, eentje waar deze fundamenteel verschilt van een studievereniging. Bijna alles gebeurt in een vereniging op de sociëteit. Daar gelden bepaalde mores, ongeschreven regels, die absoluut binnen de vereniging moeten blijven. Een studievereniging is meer open, zonder die strakke mores. Dit heeft ook betrekking op de rolverdeling tussen man en vrouw. Bij de wat meer corporale verenigingen (zoals onder andere Vindicat en RSC/RVSV) is deze duidelijk gedefinieerd. Dit is erg goed te zien bij RSC en RVSV, allebei ongemengde verenigingen. Ook binnen de gemengde vereniging bestaat dit onderscheid vaak. Laurentius heeft bijvoorbeeld alleen ongemengde jaarclubs en verticalen. Ook zou je kunnen stellen dat er daardoor een spanning komt te staan tussen man en vrouw. Een groot deel van het lid zijn, is het ‘regelen’ van andere leden, of het nu van je eigen vereniging is daargelaten. Zo ontstaan er ook praktijken als de bangalijst van Vindicat, een lijst met de 23 ‘beste vrouwen’ van de vereniging.

Sociëteit Asker V van het Rotterdamsch Studenten Gezelschap, nu in de steigers

 

Bij een studievereniging is het onderscheid tussen man en vrouw nagenoeg nul. Besturen hebben vaak een 50-50 man-vrouw verdeling en bij commissies wordt het verschil vaak niet eens gezien. Ook is er binnen de studievereniging door de wat minder strikte scheiding tussen man en vrouw vaak meer ruimte voor studenten met een andere geaardheid, vooral omdat bepaalde mores en opvattingen van studentenverenigingen voor het oog van een buitenstaander leiden tot een iets minder accepterende sfeer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat die ruimte er niet is.

Studentenverenigingen waren bijna immaterieel erfgoed. Het was al bekendgemaakt, en de papieren zouden zondag getekend worden. Dit is, na de gekkigheid in Groningen, uitgesteld. Misschien is het inderdaad tijd voor een verandering binnen studentenverenigingen. Dit zal echter vanuit de verenigingen zelf, na overleg met universiteit en politiek, moeten komen. Studentenverenigingen zijn een mooie traditie, die niet zo maar door wanpraktijken bij een van de vele weggegooid moet worden. Wel moet er ruimte komen voor kritiek en verbetering, om  eerstejaars te beschermen tegen misbruik van ouderejaars en een vereniging toegankelijk te houden.

Sluiten