Recht op een eerlijk proces

Het recht op een eerlijk proces is een grondrecht dat we allemaal kennen als een recht dat wordt gewaarborgd door artikel 6 van het EVRM: ‘the right to fair trial’. In de Nederlandse rechtspraak vormt dit grondrecht een uitgangspunt, maar het recht is niet opgenomen in onze Nederlandse Grondwet. Het grondrecht maakt in Nederland slechts onderdeel uit van het verdragsrecht. Ondanks het feit dat het recht reeds wordt gewaarborgd binnen ons rechtsstelsel, heerst de behoefte om dit recht in het eerste hoofdstuk van onze Grondwet op te nemen. Deze behoefte werd onder andere zichtbaar in een advies van de Staatscommissie Grondwet en door een motie van de Eerste Kamer (Lokin-Sassen, 2012). Naar aanleiding hiervan heeft de regering, in juli 2016, een wetsvoorstel ingediend om de Grondwet te wijzigen en het recht op een eerlijk proces en toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter hieraan toe te voegen.

Waarom?
Maar waarom wordt dit wetsvoorstel nu ingediend? Immers, het recht op een eerlijk proces is al 25 jaar geleden neergelegd in het EVRM en, middels de doorwerking van deze eenieder verbindende verdragsbepaling via art. 93 en 94 GW, heeft dit recht reeds rechtskracht en wordt deze binnen ons rechtsstelsel gewaarborgd. Desondanks overwoog de Staatscommissie Grondwet dat het recht op een eerlijk proces in verdragen onvoldoende is vastgelegd. Volgens de commissie moet het recht om deze reden in de Grondwet worden opgenomen, alsmede om de reden dat dit grondrecht een schakelfunctie heeft in de bescherming van andere grondrechten. De Raad van State is daarnaast van mening dat een dergelijk recht simpelweg in de Grondwet hoort te staan, aangezien dit recht een belangrijke pijler is van de democratische rechtstaat. De codificatie krijgt hierdoor dus ook mede een symbolische betekenis. Tenslotte moet de opname van het recht in de Grondwet de individuele rechtsbescherming op grondwettelijk niveau garanderen. Dit zal de betekenis van het recht versterken en het vertrouwen van de burger in de rechtstaat en rechtspraak vergroten.

De wijziging van de Grondwet
Het wetsvoorstel dat wordt ingediend strekt tot wijziging van de Grondwet. Het wijzigen van de Grondwet verloopt niet op overeenkomstige wijze als de wijziging van een ‘normale’ wet. Voor de Grondwet geldt namelijk een verzwaarde procedure. Deze procedure is neergelegd in artikel 137-142 GW. Het voorstel tot herziening van de Grondwet moet worden ingediend door de regering of leden van de Tweede Kamer. Vervolgens vangt de eerste lezing aan, waarin het voorstel in overweging wordt genomen door beide kamers. Zij moeten deze aannemen met een gewone meerderheid van meer dan 50 procent. Hierna wordt de Tweede Kamer ontbonden en worden nieuwe verkiezingen gehouden. Zodra een nieuwe Tweede Kamer samen is gekomen, wordt het voorstel ingediend bij deze nieuwe Tweede Kamer en wordt deze opnieuw, door beide kamers in overweging genomen in de tweede lezing. Hierbij moet het voorstel worden aangenomen met een twee derde meerderheid. Tenslotte volgt dezelfde afhandeling als bij een ‘normale’ wet. Het wetsvoorstel moet worden ondertekend door de koning en de staatssecretaris en worden gepubliceerd in het Staatsblad. Na deze publicatie treedt de wetswijziging pas in werking.

De inhoud van het wetsvoorstel en de betekenis voor de rechtspraktijk
De bedoeling van het wetsvoorstel is om het recht op een eerlijk proces en toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter toe te voegen aan het bestaande artikel 17 GW; het ius de non evocando. Het huidige artikel regelt dat “niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van een rechter die hem de wet toekent”. Het voorstel is om dit recht in een tweede lid te plaatsen en vervolgens een eerste lid aan het artikel toe te voegen dat regelt dat: “Ieder bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht heeft op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van een onafhankelijke en onpartijdige rechter.” Op deze wijze komt het recht op een eerlijk proces toe aan elke rechtzoekende burger. Deze zal zich nu, naast op art. 6 EVRM, ook op art. 17 GW kunnen beroepen bij de rechter. Doordat het recht in de Grondwet een meer algemene formulering zal kennen dan in het EVRM het geval is heeft het artikel een meerwaarde ten opzichte van de verdragsbepaling. Artikel 6 EVRM is immers alleen van toepassing op burgerlijke rechten en verplichtingen en op strafzaken. Het artikel in de Grondwet zal daarentegen ook van toepassing zijn op fiscale procedures, procedures omtrent de toelating en uitzetting van vreemdelingen en op geschillen tussen ambtenaren. Door de codificatie in de Grondwet zal voor deze rechtsgebieden dezelfde waarborgen met betrekking tot een eerlijk proces gaan gelden zoals deze reeds voor andere rechtsgebieden in het EVRM zijn neergelegd. Tenslotte heeft de codificatie van het artikel invloed op de wetgevingspraktijken van de wetgever: deze is nu verplicht het recht te respecteren bij het maken van nieuwe wetten. Het is echter moeilijk voor te stellen dat in onze democratische rechtstaat de wetgever dit niet reeds deed bij zijn wetgevingspraktijken.

Sluiten